Rijden onder invloed in Nederland, 1992-1993

Ontwikkeling van het alcoholgebruik van automobilisten in weekendnachten
Auteur(s)
Mathijssen, M.P.M
Jaar

Tussen medio september en medio december 1993 heeft de SWOV in samenwerking met 52 controleteams van de politie een onderzoek uitgevoerd naar het alcoholgebruik van de automobilisten in negen Nederlandse provincies: Groningen, Friesland, Overijssel, Flevoland, Gelderland, Utrecht, Noord- en Zuid-Holland en Noord-Brabant. Het onderzoek, dat is uitgevoerd in v rij dag- en zaterdagnachten tussen 22.00 en 04.00 uur, is een voortzetting van de landelijke rij- en drinkgewoontenonderzoeken die de SWOV tussen 1971 en 1992 heeft uitgevoerd c.q. heeft laten uitvoeren om ontwikkelingen in het alcoholgebruik vast te stellen. Bij deze onderzoeken worden willekeurige automobilisten staande gehouden, die allen een ademtest moeten ondergaan.

Sinds 1991 wordt het onderzoek uitgevoerd volgens een sterk gewijzigde opzet, die gericht is op het verkrijgen van een steekproef die uitspraken op provinciaal niveau mogelijk maakt. Bij het onderzoek van 1993 was de
opzet vrijwel gelijk aan die van het onderzoek in 1991 en 1992. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van 1992 zijn, dat de steekproef is uitgebreid met de provincies Groningen (in 1991 ook reeds bij het onderzoek betrokken) en Overijssel (niet eerder bij het onderzoek in de nieuwe opzet betrokken). Verder is in 1993 onder de politiecoördinatoren een korte telefonische enquête uitgevoerd. Die was vooral bedoeld om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van het politietoezicht op alcoholgebruik. De oorspronkelijke steekproef van 1993 omvatte 13.051 records (tegen 9.872 in 1992). Om te corrigeren voor uitgevallen meetperioden is deze steekproef met 392 records opgehoogd tot een totaal van 13.443 records. Het onderzoek van 1993 levert de indicatie op, dat het aandeel automobilisten met een bloedalcoholgehalte ≥ 0,5‰ – de wettelijke grens – weer licht aan het stijgen is: 3,9% in 1991; 4,0% in 1992; en 4,2% in 1993. Overigens is deze stijging niet statistisch significant. De sterkste stijging heeft zich de afgelopen jaren voorgedaan in de provincie Utrecht: van 3,2% in 1991, via 4,3% in 1992, tot 4,9% in 1993. Deze stijging is wel statistisch significant.

De hoogste percentages automobilisten onder invloed zijn in het najaar van 1993 aangetroffen:

  • onder mannen tussen de 35 en 50 jaar;
  • in gemeenten met meer dan 100.000 inwoners;
  • in de regio West-Nederland (en daarbinnen vooral in Noord-Holland);
  • in de nacht van vrijdag op zaterdag;
  • na 2.00 u. 's nachts.

Ten opzichte van het najaar van 1992 zijn hierin geen belangrijke veranderingen opgetreden.

De herkomst van de betrapte rijders onder invloed was in 1993 als volgt:

  • horeca: 41 %;
  • bezoek/feestje: 25%;
  • werk/thuis: 11 %;
  • sportkantine: 6%;
  • anders/onbekend: 16%.

Van de zware en zeer zware overtreders (met een bloedalcoholgehalte ≥ 0,8‰ was bijna de helft afkomstig uit een horecagelegenheid. Ten opzichte van 1992 zijn er geen belangrijke veranderingen in de herkomst opgetreden.

De resultaten van het rij- en drinkgewoontenonderzoek 1993 wijzen op een lichte stijging van het rijden onder invloed. Ongevallengegevens geven een vergelijkbaar beeld te zien. Het geregistreerde aantal alcoholdoden in 1993 bedroeg 121, oftewel 10% van alle geregistreerde verkeersdoden; het aantal ernstige alcoholgewonden bedroeg 1074, of 9% van het totaal. In 1992 waren de respectieve aantallen 107 (8%) en 1.002 (9%). Gezien de onderregistratie van alcoholgebruik bij ongevallen zijn de werkelijke aantallen alcoholslachtoffers vermoedelijk veel hoger. Voor 1993 kan het aantal alcoholdoden worden geschat op ca. 200, het werkelijke aantal ernstig gewonden op ca. 1450.

Een mogelijke oorzaak van de gestegen alcoholonveiligheid is het afgenomen politietoezicht gedurende het reorganisatieproces. In het najaar van 1993 zijn de 52 politiecoördinatoren die aan het rij- en drinkgewoontenonderzoek van de SWOV hebben deelgenomen, telefonisch geënquêteerd. De helft van hen verklaarde dat het alcoholtoezicht in hun gemeente (vaak fors) was afgenomen; 15% rapporteerde een (meestal lichte) toename van het toezicht.

Een ander mogelijke oorzaak van de stijging van de alcoholonveiligheid is, dat de huidige maatregelen ter betrijding van het rijden onder invloed wellicht over het hoogtepunt van hun werking heen zijn. Als mogelijke nieuwe effectieve maatregelen heeft de SWOV de afgelopen jaren o.a. voorgesteld:

  • Optimalisering van de toezichtstrategie en -tactiek van de politie, gecombineerd met voorlichting en publiciteit.
  • Invoering van een lagere wettelijke limiet voor speciale risicogroepen, bijvoorbeeld jonge en/of beginnende bromfietsers, motorrijders en automobilisten (voor deze laatste twee groepen eventueel gekoppeld aan een voorlopig rijbewijs); maar ook voor groepen met een speciale verantwoordelijkheid zoals taxi-, bus- en vrachtwagenchauffeurs.
  • Opleggen van een kortdurend rijverbod (maximaal 2 uur) aan bestuurders van wie op grond van de ademtest op straat het vermoeden bestaat dat zij meer hebben gedronken dan de wettelijke limiet, maar onvoldoende om tot vervolging over te gaan.
  • Systematisch opsporen van alcoholgebruik onder betrokkenen bij ongevallen; dit zou vergemakkelijkt kunnen worden door de invoering van zgn. 'passieve' ademtesters.
  • Intensivering van de voorlichting over de risico's van alcohol in het verkeer aan jongeren, met name in het voortgezet onderwijs.

De meeste van deze maatregelen kunnen alleen getroffen worden door de centrale overheid, terwijl de heersende trend er juist een is van decentralisering en regionalisering van het verkeersveiligheidsbeleid. Wellicht is er mede daardoor te weinig sprake van vernieuwing van het alcoholverkeersbeleid of van onderzoek naar concrete mogelijkheden daartoe.

 

Between September and November 1993, SWOV, in collaboration with 52 police control teams, conducted a roadside survey in order to establish the alcohol consumption of motorists in nine out of twelve Dutch provinces: Groningen, Friesland, Flevoland, Overijssel, Gelderland, Utrecht, North and South Holland, and North Brabant. The study, which was carried out on Friday and Saturday nights between 22.00 and 04.00 hours, represents a continuation of the nationwide studies into drink driving habits which were carried out between 1971 and 1992, to determine the trend in alcohol consumption.

In the roadside surveys, motorists are stopped at random, and all are subjected to a breath test. The 1993 sample includes 13,443 motorists. 

The 1993 study showed that the number of motorists with a BAC over the legal limit of 0.5‰ had hardly changed: 4.2% in 1993 versus 4.0% in 1992.

The highest percentages of driving under the influence were measured:

  • amongst men aged between 35 and 50;
  • in municipalities with more than 100,000 inhabitants;
  • in the provinces of North and South Holland;
  • during Friday nights;
  • between 2.00 and 4.00 hrs.

Those found to have been driving under the influence, stated they had come from the following places:

  • public place (pub, hotel, restaurant): 41 %;
  • visit/party: 25%;
  • home/work: 11 %;
  • sport canteen: 6%;
  • other/unknown: 16%.

Of the group of heavy drinkers (with a BAC of ≥ 0.8‰), almost half were travelling from a public place. No major changes have taken place since the 1992 measurements.

Recommendations made by SWOV during the last few years in order to further reduce driving under the influence included:

  • Optimising police enforcement strategies and tactics, in combination with information campaigns and publicity.
  • Imposing a brief driving ban (2 hours maximum) without threat of prosecution on drivers who register a BAC of between 0.5 and 0.75%0 during a breath test for screening purposes.
  • Routine measurement of alcohol consumption for any person involved in an accident.
  • Lowering the legal BAC-limit for special risk groups, for example young and/or inexperienced moped riders, motor cyclists and motorists; and for people with special responsibilities, for example taxi, bus, and lorry drivers.
  • Intensifying the information campaigns on the risk of drink-driving for the youth, particularly at secondary education level.

None of these measures, however, has been introduced yet, or even been seriously researched; probably due to the current trend of decentralised road safety policy in the Netherlands.

Rapportnummer
R-94-21
Pagina's
32 + 19
Gepubliceerd door
SWOV, Leidschendam

SWOV-publicatie

Dit is een publicatie van SWOV, of waar SWOV een bijdrage aan heeft geleverd.

- Zoek naar meer SWOV-publicaties?
- Verder zoeken in onze overige publicaties